Na het einde van de Kersttijd is nu de liturgische tijd door het jaar begonnen. > Preken, jaar B

25e zo d/h jaar C – Omgang met gezagdragers     

25e zo d/h jaar C – Omgang met gezagdragers                       Echt/St.Joost, 20-10-19

Als eerste lezing hebben wij vandaag een stukje uit de eerste brief
van de heilige apostel Paulus aan Timoteüs gehoord.

Daarin stond:

Allereerst vraag ik u gebeden, smekingen, voorbeden en dankzeggingen
te verrichten voor alle mensen, voor koningen en alle hooggeplaatsten,
opdat wij, ongestoord en rustig,
een in alle opzichten godvruchtig en waardig leven kunnen leiden (1Tim.2,1).

Die zin heeft nogal vragen bij mij opgeroepen.
Hoe is dat eigenlijk voor ons gelovigen?
Hoe moeten wij ons gedragen tegenover een wereldse gezagsdrager,
misschien zelfs tegenover iemand, die helemaal niets heeft met het geloof?

Ik heb er de Catechismus van de katholieke Kerk (CKK) op nageslagen.
Daar staat een hele uiteenzetting over het gezag.
Hier de belangrijkste uitspraken:

“Leven in gemeenschap zou orde en vruchtbaarheid missen
zonder de aanwezigheid van mensen met gezag bekleed,
die het behoud van de instellingen waarborgen
en die in voldoende mate zorgen voor het algemeen welzijn”. 

“Gezag” betekent die kwaliteit waardoor personen of instellingen
wetten uitvaardigen en opdrachten geven aan mensen,
van wie zij gehoorzaamheid verwachten”.                                 CKK 1897

Elke menselijke gemeenschap heeft een gezag nodig dat haar bestuurt. 
Het is geworteld in de menselijke natuur.
Het is noodzakelijk voor de eenheid van “de staat”.
De rol van het gezag bestaat erin zoveel mogelijk
het algemeen welzijn van de gemeenschap te verzekeren.     CKK 1898

Terwijl het gezag als zodanig een verwijzing inhoudt
naar een door God vastgestelde orde,
“moet toch de nadere bepaling van de bestuursvorm
en het aanwijzen van de bestuurders
aan de vrije wil van de burgers overgelaten worden”. 

Verscheidenheid van politieke bestuursvormen is moreel toelaatbaar,
voor zover zij het algemeen welzijn van de gemeenschap dienen.
Bestuursvormen die indruisen tegen de natuurwet,
de openbare orde en de fundamentele mensenrechten,
kunnen niet het algemeen welzijn dienen van die volkeren
waaraan ze zich opgedrongen hebben.                                       CKK 1901

Gezag wordt slechts wettig uitgeoefend,
indien het streeft naar het algemeen welzijn van de betreffende groep
en indien het hierbij middelen aanwendt die moreel toelaatbaar zijn.
Zouden de leiders onrechtvaardige wetten uitvaardigen of maatregelen treffen
die indruisen tegen de morele orde,
dan kunnen deze beschikkingen het geweten niet verplichten.
“In dat geval stort het gezag zelf geheel in elkaar:
het ontaardt in onderdrukking”.                                                   CKK 1903

“Het is wenselijk dat elk gezag in evenwicht wordt gehouden
door andere machten en bevoegdheden,
die het binnen de juiste perken houden.
Dit is het principe van de ‘Rechtsstaat’, waarin het hoogste gezag toekomt
aan de wet en niet aan menselijke willekeur”.                            CKK 1904

Tot zover de citaten uit de Catechismus van de katholieke Kerk.
Deze selectie uitspraken geeft natuurlijk niet op alle concrete vragen
een pasklaar antwoord.

B.v. op de vraag: Wanneer is een wet onrechtvaardig?
Als ik vind dat ik te veel belasting moet betalen?
Of komt er meer bij kijken?  
B.v. als mijn grondrechten of de mensenrechten worden aangetast.

Een catechismus neemt ons dus niet het denken af, maar biedt ons wel het kader
om met doordachte argumenten tot de juiste antwoorden te komen.

——–

Wij wijzen erop dat de CKK een heel hoofdstuk onder de titel  “De menselijke gemeenschap”
aan dit vraagstuk besteedt en niet alles in het kader van een korte preek besproken kan worden.