In het pastoorloze tijdperk wordt de website niet bijgewerkt (alleen de Weekberichten)

2e zo vd Vasten C – Gods Love Story deel 1   

2e zo vd Vasten C –  Gods Love Story. Een overweging voor de Veertigdagentijd              

deel 1  Gods eigen Love Story
                                              
(Lc.9,28b-36: De Gedaanteverandering)

Heel lang geleden was het in de Veertigdagentijd gebruikelijk,
dat er in de kerken vastenpreken werden gehouden.
Meestal kwam daarvoor dan een pater van elders.
Die kon zich namelijk meer permitteren
om de gelovigen eens goed de oren te wassen dan de eigen pastoor.
En zo werd er flink uitgehaald over alle morele gebreken en zonden
en de daaruit voortvloeiende dreiging in de hel terecht te komen.
Door de gelovigen steeds weer aan deze uiterste consequenties te herinneren,
hoopte men dat ze terugdeinzend de weg naar de hemel vonden.

Intussen denkt de Kerk er gelukkig anders over.
Terugdeinzen en achteruitlopen is nog nooit een goede manier van lopen geweest.

Maar, om elk misverstand te voorkomen: de Kerk is nog altijd ervan overtuigd,
uitgaande van de H. Schrift, dat hemel, hel en vagevuur (=reinigingstoestand)  echt bestaan.
Omdat God namelijk de vrijheid van de mens helemaal respecteert,
kan de Kerk de mogelijkheid niet uitsluiten
dat een mens God definitief afwijst, zelfs nog in het uur van zijn dood.
Het oordeel is dan vooral een zelfveroordeling en bestaat erin dat de mens zelf God afwijst.
Niet de stralende zon van Gods oneindige liefde en waarheid hoort op te schijnen,
maar de mens keert zich af van dat licht en laat als het ware de rolluiken naar beneden.

Omdat niemand op aarde precies kan weten, wat in het uur van de dood gebeurt,
leert de Kerk alleen de mogelijkheid van de definitieve afwijzing en dus van de hel,
maar doet ze geen uitspraken welke concrete mensen in de hel zijn.

Maar terug naar mijn eerdere stelling: Terugdeinzen en achteruitlopen
is nog nooit een goede manier van lopen geweest.

Niet de angst, maar de liefde motiveert het meest. Jezus heeft dit zelf gezegd:
“Als gij Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden” (Joh.14,15).

Daarom willen wij de volgende vier weekenden nadenken
over wat ons aantrekt en werkelijk vooruit helpt:
de onvoorstelbare, onuitputtelijke en onvoorwaardelijke liefde van God.

Het evangelie van de gedaanteverandering op de berg Tabor
wijst ons de weg waar wij met onze overweging moeten beginnen:
bij God zelf. De stem uit de wolk verklaart namelijk
“Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luistert naar Hem”.
Zo staat het bij de evangelist Lucas  (Lc.9, 35),
terwijl het de evangelisten Matteüs en Marcus met een kleine nuance weergeven:
“Dit is mijn Zoon, de Welbeminde…” (Mt.17,5 resp. Mc.9,7).
Hoe dan ook, die Zoon die aan drie apostelen zijn goddelijke heerlijkheid openbaart,
is van alle eeuwigheid af de geliefde Zoon van de hemelse Vader.

De beroemde uitspraak van de evangelist Johannes  “God is liefde”
(1 Joh.4,8b) is namelijk alleen mogelijk, als God al in zichzelf iemand heeft
om te beminnen, iemand die geen schepsel is.

Een God die van alle eeuwigheid af mensen nodig zou hebben
om lief te kunnen hebben, is geen God.
Het hoort immers bij het begrip van het God-zijn,
om geheel onafhankelijk van het niet-goddelijke te zijn.

Neen, God is sinds alle eeuwigheid liefde in zichzelf:
de totale liefde van de Vader tot de Zoon
en de totale liefde van de Zoon tot de Vader.
En hun beider liefde brengt als vrucht voortdurend de heilige Geest voort.

Dit geheim is zo onzegbaar, dat wij het alleen stamelend kunnen benaderen.
Dat is voor mij trouwens de bevestiging dat dit geloofsgeheim
geen menselijke uitvinding is, maar dat wij dat beetje dat wij erover weten,
juist door de goddelijke openbaring weten.

Sint Jan van het Kruis heeft geprobeerd, het onzegbare geheim
van de innergoddelijke liefde in dichtvorm te benaderen. Hij schreef:

In die mateloze liefde,
die haar oorsprong heeft in Beiden,
zei de Vader tot de Zoon
woorden van groot welbehagen
vanuit een gelukservaring,
zo diep, dat geen mens ze waarneemt;
maar alleen de Zoon doorproeft ze,
daar ze alleen tot Hem gericht zijn.

Maar toch: wat zich laat begrijpen
vindt zijn weergave in de woorden:
In niets stel ik mijn welbehagen, Zoon,
dan enkel in uw bijzijn.

En indien Mij al iets aanstaat,
heb Ik het toch lief in U
en hij die meer gelijkt op U
is Mij des te aangenamer.                                    

(Citaat uit Sint Jan van het Kruis, Romance 2)

Tot zover het eerste deel van onze overweging: Gods eigen Love Story.