Na het einde van de Kersttijd is nu de liturgische tijd door het jaar begonnen. > Preken, jaar B

29e zo dh jaar C – Herinneringen aan de schooltijd  

29e zo dh jaar C – Herinneringen aan de schooltijd       Echt/St.Joost, 20-10-19

Heeft u leuke herinneringen aan uw schooltijd?
Wat is u het meest bijgebleven?
Bepaalde leraren of bepaalde stof die zij u bijbrachten?

Nou, mijn liefde voor de Engelse taal kwam niet door de stof zelf,
niet door een eindeloze rij van woordjes die je moest leren.
Mijn liefde voor de Engelse taal kwam door de juf,
een Amerikaanse studente die als invalleerkracht les gaf
vanwege het lerarentekort in die tijd.
En het was haar manier om ons 13-jarigen via Engelse popmuziek
enthousiast te maken voor de taal zelf.

Ook later als theologiestudent hadden wij verschillende docenten
die juist door hun manier van doceren interesse voor het vak wekten.
De docent kerkelijk recht speelde het zelfs klaar
om de relatief droge stof van het kerkelijk wetboek smakelijk over te brengen.
Bij elke canon bedacht hij gewoon een grappige casus,
om vervolgens aan ons studenten te zeggen:
“Mijne heren, u hoeft alleen de moppen te onthouden”.

Waarom vertel ik u dit allemaal?
Omdat wij vandaag in de lezing uit de 2e brief aan Timóteüs
eenzelfde samenspel zien tussen leraar en leerstof.

[Mis van 18.00 uur: Je weet dat je goede leraren gehad hebt.
En de heilige boeken ken je al sinds je kindheid (uit Bijbel in Gewone Taal
)]

Bedenk wie het waren die u onderricht hebben
en hoe gij van kindsbeen af vertrouwd zijt met de heilige geschriften…

De verwijzing naar de leraren is niet alleen van belang,
omdat ze met onze eigen ervaring met sommige leraren overeenkomt.
Ze is ook belangrijk, omdat ze de protestantse bewering weerlegt,
dat de Schrift, de Bijbel, alleen voldoende is.

Op dat moment waarop de apostel Paulus de brief aan Timóteüs schreef,
waren de evangelies namelijk nog niet opgeschreven.
De heilige geschriften waarnaar hij verwijst, waren de heilige boeken
van de Joden, die wij vandaag het Oude Testament noemen.

Dus, voordat er de vaste vorm was van de huidige Bijbel,
was er naast de bestaande teksten ook een mondelinge overlevering.

Of anders gezegd:
Naast en soms zelfs voorafgaand aan de schriftelijk vastgelegde leerstof
was er altijd een leraar.

Ook toen de Bijbel haar huidige vaste vorm had gekregen, bleef dat zo.
Want altijd bleef de vraag:
Hoe moet je een bepaalde zin uitleggen?
En wat betekent die voor mij vandaag?

Daar gingen zich dan de Bijbel-leraren over buigen
en in bijzondere gevallen zelfs een grote groep experts
op zogenaamde concilies.
Soms konden zelfs leerstellingen vastgelegd worden,
die niet letterlijk in de Bijbel stonden zoals bv.
de lichamelijke opname van Maria in de hemel.
Belangrijk bleef wel,
dan geen enkele uitspraak in strijd met de Bijbel mocht zijn.
Terug naar mijn studententijd.
Ik herinner mij twee colleges die direct op elkaar volgden.

In het eerste college moest een jonge docent die net begonnen was,
les geven. Hij was nog heel onzeker  en baseerde zich op een handboek.
Als je de dag tevoren even de betreffende hoofdstukken had doorgelezen,
wist je precies wat hij ging zeggen.
Het was dan ook oersaai en je liep niet echt warm voor wat hij zei.

In het daarop volgde college sprak een oudere gastprofessor uit Rome.
Hij was een coryfee op zijn gebied en kon de hele stof helemaal vrij voordragen.
Hij had zich de stof zo eigen gemaakt,
dat hij ook heel soepel op vragen van de studenten kon ingaan
en met heel actuele voorbeelden kon komen.
Wat hij zei, kwam los van de stof, maar was niet in tegenspraak met de stof.

Toen begreep ik hoe belangrijk het is, dat de katholieke Kerk eraan vasthoudt,
dat ze 2 bronnen heeft waaruit ze put: de leerstof en de leraar
of plechtig uitgedrukt:

de heilige Schrift én de overleving door het kerkelijk leerambt.