- Parochie Echt - https://www.parochieecht.nl -

29e zo dh jaar A – Een antwoord vanuit de diepte

29e zo dh jaar A – Een antwoord vanuit de diepte   Echt/St.Joost, 18-10-20

“Farizeeën en Herodianen”.
Je zou de namen van de twee groepen die Jezus in de val wilden lokken
naar het heden toe kunnen vertalen met ‘preciezen en rekkelijken’.
Het lijkt een uitgemaakte zaak:
Welk antwoord Jezus ook geeft, een van de twee partijen krijgt Hij tegen zich.

En toch overwint Jezus dit dilemma:
Niet met oppervlakkigheid,
niet met woorden die nietszeggend zijn,
niet met vaagheden waarmee je alle kanten op kunt.

Nee, juist door het tegendeel van oppervlakkigheid.
Hij gaat terug naar de basis van alles,
naar het fundament van al ons wereldse en godsdienstige leven.

Het antwoord op de vraag
“Wat moet ik doen tegenover het wereldse gezag
en wat moet ik doen tegenover God”
is te vinden in het antwoord op de veel diepere vraag:
“Wie is de mens?”

Nu zult u waarschijnlijk het antwoord op deze vraag
tevergeefs in het huidige evangelie zoeken
als u een letterlijk uitgeschreven antwoord meent te vinden.

En toch is het antwoord aanwezig
en was dit voor de toehoorders van toen meteen duidelijk.

Omdat het beeld van de keizer op de munt stond, kon Jezus zeggen:
“Geef aan de keizer wat de keizer toekomt”.
Toen Hij echter toevoegde: “en aan God wat aan God toekomt”,
suggereerde Jezus dat God ook zo’n beeld heeft
waardoor Hij zijn rechten kan doen gelden.

Dit beeld is immers de mens zelf,
die volgens het scheppingsverhaal beeld van God zelf is (Gen. 1,27).
Want door zijn geestelijke vermogens en door zijn mogelijkheden tot liefde
is de mens beeld van zijn Schepper.
Dit geeft aan de mens een onvervangbare waardigheid
die hem tot kroon van de gehele schepping maakt.

Voor de toehoorders van toen was dit antwoord zo duidelijk,
dat ze heel anders reageerden dan in soortgelijke twistgesprekken.

Er staat dan ook: “Toen ze dit hoorden, stonden ze verwonderd;
zij lieten Hem met rust en gingen heen”(Mt.22,22).

Maar het geniale antwoord van Jezus gaf niet alleen antwoord
op de tijdelijke politieke situatie van zijn tijd,
maar is tevens een criterium voor alle tijden.

Telkens als de mens zich afvraagt
of hij aan het wereldse gezag moet gehoorzamen,
moet Hij eerst afdalen naar het diepste fundament van zijn mens zijn:
het beeld zijn van God.

Dan zou hij zich moeten afvragen:
Wordt dat wat God van mij verwacht en waarop Hij recht heeft
omdat ik naar zijn beeld geschapen ben, geschaad of niet
als ik aan de wereldse gezag gehoorzaam?

Keizer Tiberius, de keizer in de tijd van Jezus was geen lieverdje,
maar de afgedwongen belasting te betalen aan deze bezetter
raakte je nog niet in je verplichtingen tegenover God.|
Dus dat mocht.

Later, toen de Romeinse keizers van de christenen geloofsafval eisten,
was dat anders. Toen moest God de voorrang krijgen.

Dan geldt, wat ook nu nog de katholieke Kerk
in haar officiële Catechismus leert:

“De burger is in geweten verplicht om de voorschriften
van de burgerlijke overheid niet te volgen, wanneer deze zouden ingaan
tegen de eisen van de zedelijke orde,
tegen de fundamentele rechten van de menselijke persoon
of tegen de leer van het evangelie” (CKK 2242).

Je zou ook kunnen zeggen:
In geval van twijfel geldt het Bijbelwoord:

“Men moet aan God meer gehoorzamen dan aan de mensen” (Hand.5,29).“