Geef je op voor een bijzondere Bijbelavond over het Hooglied, het liefdeslied aller liefdesliederen: di 9-4 om 20.00 uur Trefcentrum Diepstraat 4

Allerzielen 2017 – Uittreksel uit de encycliek over de hoop

Allerzielen 2017 – Uittreksel uit de encycliek over de hoop (Spe Salvi) door Paus Benedictus XVI, uitgegeven in 2007

Allerzielen geeft mij als pastoor de kans om – in tegenstelling tot een uitvaart –
over de laatste dingen te spreken zonder dat mensen daarbij de link leggen
met een concrete overledene. Vandaar dat ik u een stukje wil voorlezen
uit de prachtige encycliek over de hoop door onze vorige paus Benedictus.

 Nr. 45 (…)

De levenskeuze van de mens wordt met de dood definitief – dit leven van hem staat voor de Rechter. Zijn keuze, die in de loop van het gehele leven gestalte gekregen heeft, kan verschillende vormen hebben.

Er kunnen mensen zijn die in zichzelf de wil tot waarheid en de bereidheid tot liefde volledig vernietigd hebben, mensen in wie alles tot leugen is geworden, mensen die voor de haat hebben geleefd en de liefde in zich vertrapt hebben. Dat is een vreselijke gedachte, maar menige gestalte uit juist onze geschiedenis laat op een schrikbarende wijze zo’n profiel zien. Aan zulke mensen zou niets meer te redden zijn, de vernietiging van het goede is er onherroepelijk: dat is het wat met het woord hel bedoeld wordt.

Van de andere kant kunnen er heel zuivere mensen zijn, die zich volledig door God hebben laten doordringen en daarom helemaal open zijn voor de naaste – mensen, in wie de gemeenschap met God nu al hun zijn bepaalt, en voor wie het naar God gaan slechts voltooit wat ze al zijn. 

 Nr. 46

Maar noch het één, noch het ander is volgens onze ervaringen de normale situatie van het menselijk bestaan.

Bij de allermeesten, zo mogen we aannemen, blijft een laatste en meest innerlijke openheid voor de waarheid, voor de liefde, voor God in het diepste van hun wezen aanwezig. Maar deze is bij de concrete levenskeuzen overdekt geraakt met steeds nieuwe compromissen met het kwade – veel vuil verbergt het zuivere, waarnaar toch dorst is blijven bestaan en dat toch ook steeds weer, boven al het lage uit, te voorschijn komt en in de ziel aanwezig blijft.

Wat gebeurt er met zulke mensen als ze voor de rechter aantreden? Maakt al het onzuivere dat ze in hun leven opgehoopt hebben, plotseling niets meer uit? Of wat dan?

De heilige Paulus geeft ons in de Eerste brief aan de christenen van Korinte een voorstelling van de verschillende manieren waarop Gods oordeel de mens treft, al naargelang deze er aan toe is. Hij doet dat in beelden die het onzichtbare op de één of andere wijze willen uitdrukken, zonder dat we die beelden in begrippen kunnen vatten, eenvoudigweg omdat we in de wereld aan gene zijde van de dood niet kunnen binnenkijken en daar geen ervaring van hebben.

Allereerst zegt Paulus over het christelijk bestaan dat het op een gemeenschappelijk fundament is gebouwd: Jezus Christus. Dat fundament houdt stand. Als we op dat fundament zijn blijven staan, daarop ons leven hebben gebouwd, weten we dat ook in de dood dit fundament ons niet onder de voeten weggetrokken kan worden.

Dan gaat Paulus verder: “Of men nu op deze grondslag voortbouwt met goud, zilver, kostbare stenen, of hout, hooi en stro, van ieders werk zal de kwaliteit aan het licht komen. De grote Dag zal het aantonen, want deze verschijnt met vuur, en het vuur zal uitwijzen wat ieders werk waard is. Houdt het bouwwerk dat iemand optrok stand, dan zal hij loon ontvangen. Verbrandt het, dan zal hij schade lijden; hijzelf zal gered worden, maar, om zo te zeggen, door het vuur heen” (1 Kor. 3, 12-15).

Uit deze tekst blijkt in ieder geval dat de redding van de mens verschillende vormen kan aannemen, dat menig bouwwerk kan afbranden, dat wie te redden is zelf door ‘vuur’ heen moet om definitief voor God ontvankelijk te worden, plaats te kunnen nemen aan de tafel van het eeuwig bruiloftsmaal.

Nr. 47

Enkele recente theologen zijn van mening, dat het verbrandende en tegelijk reddende vuur Christus is, de Rechter en Redder. Hem ontmoeten is het beslissende gebeuren van het Oordeel. Voor Zijn aanblik smelt alle onwaarheid. De ontmoeting met Hem is het, die ons ombrandt en in ons het eigenlijke van onszelf vrijbrandt. Onze levensbouwwerken kunnen daarbij stro blijken, loutere grootdoenerij, en instorten. Maar in de pijn van deze ontmoeting, waarin ons het onreine en zieke van ons bestaan duidelijk wordt, is redding.

Zeker, zijn blik, de aanraking van Zijn hart, geneest ons in een pijnlijke omvorming, “om zo te zeggen, door het vuur heen”. Maar het is een zalige pijn, waarin de heilige macht van Zijn liefde ons brandend doordringt, zodat wij eindelijk geheel onszelf en daardoor geheel van God worden.

Zo wordt ook de intrinsieke eenheid van gerechtigheid en genade zichtbaar: hoe wij geleefd hebben is niet om het even, maar ons vuil bevlekt ons niet voor eeuwig, als we ons tenminste zijn blijven uitstrekken naar Christus, naar de waarheid en naar de liefde. Het is tenslotte in het lijden van Christus al verbrand.

Op het ogenblik van het oordeel ervaren en ontvangen wij dit overwicht van Zijn liefde over al het kwade in de wereld en in ons. De pijn van de liefde wordt onze redding en onze vreugde. Het is duidelijk dat wij de ‘duur’ van dit ombranden niet kunnen meten in de tijdmaten van onze aardse tijd. Het omvormende ‘ogenblik’ van deze ontmoeting onttrekt zich aan aardse tijdmaten – is tijd van het hart, tijd van het ‘overgaan’ naar de gemeenschap met God in het Lichaam van Christus. 
Het oordeel van God is hoop, zowel omdat het gerechtigheid is als omdat het genade is. Zou het enkel genade zijn die al het aardse om het even laat zijn, dan zou God ons de vraag naar de rechtvaardigheid schuldig blijven – de voor ons beslissende vraag aan de geschiedenis en aan God Zelf.

Zou het alleen gerechtigheid zijn, dan zou er voor ons allen uiteindelijk alleen maar angst zijn.

De Menswording van God in Christus heeft beide – oordeel en genade – zo in elkaar gevoegd dat gerechtigheid tot stand komt; wij maken dus allen werk van ons heil “met vrezen en beven” (Fil. 2, 12). Toch laat de genade ons allen hoopvol en met vertrouwen tot de Rechter gaan, die wij kennen als onze ‘Advocaat’, parakletos.