Donderdag 20 juni viert de Wereldkerk Sacramentsdag. In de Landricuskerk is van 10.00 -18.30 uur eucharistische aanbidding. Feestmis 19.00

5e zo v Pasen C – Door gastpriester pastoor L.Creemers

5e zondag van Pasen (C)  – door gastpriester pastoor Lambert Creemers,  Echt, 23 april 2016

1e lezing:         Handelingen 14, 21-27
2e lezing:         Openbaring 21, 1-5a
Evangelie:       Johannes 13, 31-33a.34-35

Nu niet meer, maar vroeger wel, werd er bij de aanvraag van een paspoort gevraagd of iemand bijzondere kenmerken had. Het antwoord was gewoonlijk nee. En toch hebben we allemaal wel een aantal dingen, die heel kenmerkend voor ons zijn. Bijvoorbeeld onze heel eigen manier van lopen, ons eigen stemgeluid, onze manier van lachen. Ze zijn ons net zo eigen als onze vingerafdruk. Bijzondere kenmerken zeggen wie je bent.

Hieraan, zei Jezus, zullen anderen moeten kunnen zien of je mijn leerlingen bent: dat je elkaar liefhebt. Ben je christen? Ja. Bijzondere kenmerken? Ja: onderlinge liefde. Mooi gezegd, maar is het ook waar? Vroeger zag je aan iemand of hij katholiek was doordat hij op vrijdag ook bij de visboer kwam; je zag het aan het kruisbeeld met het palmtakje, het Mariabeeld en het heilig Hartbeeld in huis, aan de gelovige gebruiken. We ontdekken nu dat mensen katholiek zijn doordat ze hun kind laten dopen, doordat er eentje de eerste communie viert, of in de kerk trouwt. Of doordat mensen trouw de kerk bezoeken. Daar zien we aan af of mensen gelovig zijn, christelijk leven.

Maar zo kijkt Jezus dus niet. Voor Hem zijn dat wellicht heel belangrijke bijverschijnselen, maar datgene waaraan je een christen moet kunnen herkennen, is zijn manier van leven, zijn manier waarop hij omgaat met mensen, omgaat met God. Het kenmerk is de liefde. En wat voor liefde dan? Niet dat romantische knusjes bij elkaar zitten in de zin van: “en ze leefden nog lang en oppervlakkig”. Liefde is niet… “dat heel apart gevoel van binnen, als jij mij aankijkt, lieve schat”.

Nee, het is, “elkaar liefhebben – zegt Jezus – zoals Ik u heb liefgehad”. En Hij gaf zijn leven, tot het laatste toe, tot op het kruis. Waar dat gebeurt, daar zijn echte christenen bezig, echte leerlingen: als mensen wekenlang dagelijks naar het ziekenhuis gaan, terwijl ze geen familie zijn, maar “anders komen er zo weinig mensen bij hem, en dan kan zijn vrouw ook eens een keer overslaan”. Als mensen niet meteen vragen wat er aan te verdienen valt, maar zeggen: “Ik wil er niks voor hebben, het is graag gedaan”. Als mensen – altijd dezelfden – in weer en wind collecteren voor het goede doel. Als mensen, getrouwd met idealen en dromen, de wind tegen krijgen, maar elkaar trouw blijven door dik en dun, elkaar kunnen vergeven als er iets fout gegaan is. Als ouders hun vakantie altijd afstemmen op hun zorgenkind, en anderen dan eens zeggen: “Gaan jullie nou maar eens samen op vakantie; wij nemen de zorg dit jaar een paar weken van jullie over”. Of als jonge mensen hun boeltje pakken, hun carrière vergeten, en gaan werken tussen de meest noodlijdenden in de Derde Wereld. Als mensen naar anderen luisteren met hun hart, niet dwingen maar dienen, niet pakken maar geven… Dan, en op nog veel meer andere manieren zijn mensen herkenbaar als christen, en hebben ze lief zoals Jezus heeft voorgeleefd.

Dus niet onze innerlijke vroomheid, hoe waardevol ook, niet onze devoties of ons gebedsleven – die moeten wel de accu zijn – , niet dat we de leer van de kerk van buiten kennen, of we ons kind laten dopen en de eerste Communie laten doen, niet dat we een kruisbeeld in de kamer hebben hangen, maakt ons tot christenen… Dat alles is wel van belang, maar alleen als het in dienst staat van de liefde voor mensen. Want daaraan moeten jullie herkenbaar zijn, zegt Jezus, “dat jullie de liefde onder elkaar bewaren”.