Geef je op voor een bijzondere Bijbelavond over het Hooglied, het liefdeslied aller liefdesliederen: di 9-4 om 20.00 uur Trefcentrum Diepstraat 4

5e zo dh jaar B – Con-solatio     

5e zo dh jaar B – Con-solatio                             Echt/St.Joost, 04-02-2018

De eerste lezing uit het boek Job en ook het evangelie van vandaag stellen
het menselijk lijden centraal. Job klaagt over het getob van de mens,
het zware werk dat hem bij tijd en wijle te veel wordt.
Maar vooral klaagt hij over de vergankelijkheid van het leven.

Het evangelie vertelt ons dat Jezus het lijden van de mensen ziet,
dat Hij de lijdende mens nabij wil zijn
en dat Hij de ziektes ook weg kan nemen.

Maar geneest Hij iedereen? Blijkbaar niet.

Want als de leerlingen Jezus na zijn nachtelijk gebed eindelijk gevonden hebben
en Hem vertellen dat er nog altijd een grote vraag naar Hem is  – “Iedereen zoekt U” –
antwoordt Hij:
“Laten wij ergens anders heen gaan, ( ) opdat ik ook daar kan prediken”.

Niet de verwijdering van elke ziekte en elk lijden is zijn hoofddoel,
maar om Gods liefhebbende nabijheid te preken – ook bij de lijdende mens.

Paus Benedictus had in zijn encycliek over de Hoop (Spe Salvi)
hele diepe gedachten over het lijden. Zo schrijft hij o.a.:

We moeten alles doen om het lijden te overwinnen,
maar we kunnen het niet geheel uit de wereld bannen,
omdat wij nu eenmaal onze eindigheid niet van ons kunnen afschudden
en omdat niemand van ons in staat is de macht van het kwaad,
van de schuld, uit de wereld te bannen, die voortdurend – we zien het –
de bron van lijden is.

Dat kan alleen God, alleen een God die Zelf binnentreedt in de geschiedenis,
mens wordt en in de tijd lijdt.
Wij weten dat deze God bestaat
en dat daarom deze macht die de “zonde van de wereld wegneemt”
(Joh.1,29) bestaat.

Met het geloof dat deze macht bestaat
is de hoop op de redding van de wereld in de geschiedenis verschenen.
Maar het is hoop en nog geen voleinding (uit nr.36).

Het lijden kunnen we proberen te beperken, te bestrijden,
maar we kunnen het niet uit de wereld helpen.

Juist waar mensen, in de poging lijden te vermijden,
zich aan alles wat lijden met zich mee zou kunnen brengen,
trachten te onttrekken,
zich de moeite en de pijn van de waarheid, de liefde, het goede,
willen besparen,
drijven ze een leeg leven binnen, waarin wellicht nauwelijks nog pijn bestaat,
maar des te meer het doffe gevoel van zinloosheid en verlorenheid.

Niet het vermijden van het lijden, niet de vlucht voor het lijden,
heelt de mens, maar het vermogen het lijden te aanvaarden, erin te rijpen,
er zin in te vinden door de vereniging met Christus,
die met een oneindige liefde geleden heeft (uit nr. 37).

(Bernardus van Clairvaux heeft eens prachtig geformuleerd
Impassibilis est Deus, sed non incompassibilis 
– God kan niet lijden, maar Hij kan mee-lijden. 

De mens is God zoveel waard, dat Hij Zelf mens werd,
om met de mens te kunnen mee-lijden, heel reëel, in vlees en bloed,
zoals ons in het lijdensverhaal van Jezus getoond wordt (uit nr. 39).)

De ander die lijdt aannemen, betekent dat ik mij zelf zijn lijden eigen maak,
dat het ook mijn lijden wordt.
Maar juist daardoor, dat het nu gedeeld lijden is geworden,
dat een ander erin aanwezig is, dringt het licht van de liefde in dit lijden door.
Het Latijnse woord con-solatio, vertroosting, drukt dit heel mooi uit,
doordat het de voorstelling van een ‘mee-zijn’ in de eenzaamheid oproept,
die dan geen eenzaamheid meer is (uit nr.38).

Door de menswording van God is in alle menselijke lijden
een mee-lijdende, een mee-dragende binnengetreden;
in elk lijden is van daaruit de 
con-solatio,
de troost van de meelijdende liefde van God
en daarmee de ster van de hoop opgegaan (uit nr.39).