Donderdag 20 juni viert de Wereldkerk Sacramentsdag. In de Landricuskerk is van 10.00 -18.30 uur eucharistische aanbidding. Feestmis 19.00

30e zo d/h jaar C – Als een gloeilamp

30e zondag d/h jaar C – Als een gloeilamp   Echt/ St.Joost  23-10-2016

Lucas: Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden (Lc. 18,9-14)

 

Thomas Alva Edison  (+ 1931) was een beroemde Amerikaanse uitvinder,
aan wie wij o.a. ook een goed werkende gloeilamp te danken hebben.
Je hebt immers niets aan zo’n gloeilamp, als ze niet blijft branden.
In 1879 kwam Edison op het idee om met een vacuümpomp de lucht
(dus ook de zuurstof) uit de glazen ballon te verwijderen.
En voilà: Door het ontbreken van zuurstof verbrandde de gloeidraad niet
en bleef de lamp lang branden.

Een gloeilamp:
Op wie van de twee mannen uit het evangelie zou die nu het meest lijken?
Op de Farizeeër of op de tollenaar die beiden in de tempel bidden?

Laten wij eerst naar de Farizeeër kijken.

Hij werd in zijn tijd werkelijk gezien als een voorbeeldig persoon,
als een religieus hoogstaand mens.
Pas door de voortdurende kritiek van Jezus heeft het woord “Farizeeër”
later een negatieve bijklank gekregen.
Vaak die van schijnheilig, van doen alsof.

Maar wat de Farizeeër vandaag in zijn gebed beweerde,
dat deed hij echt: 2 keer per week vasten!
De meesten van ons hebben al moeite met twee keer per jaar vasten.

En hij gaf een tiende van al zijn inkomsten aan goede doelen.
Hoe hoog zou de gemiddelde Nederlander komen? Meer dan half procent?

Dus, wat dat betreft was onze Farizeeër een gloeiende gelovige.
Vergeleken met de gloeilamp zou je kunnen zeggen:
zijn gloeidraad brandde.

Maar, de Farizeeër was wel vol van zichzelf. Vond zichzelf geweldig.
En of dat niet genoeg was: keek ook nog neer op de tollenaar.
Moest, zoals dat zo vaak bij mensen gebeurt,
zijn eigen positie onderstrepen door anderen te kleineren.
Vol van zichzelf, dus.

Vergeleken met de gloeilamp zou je kunnen zeggen:
de glazen ballon van zijn gloeilamp was vol, gevuld met zuurstof.
De lamp zou dus vlug doorbranden.

De tollenaar daarentegen had niet veel goeds naar voren te brengen.
En hij besefte dit ook zelf. “God, wees mij zondaar genadig”, bad hij.

Maar hij was wel naar de tempel gekomen, naar God toe,
hij had wel de moeite genomen om te bidden,
en had zijn zondigheid niet weggeredeneerd, niet afgedaan met:
ach, ik doe toch niets verkeerds.

De tollenaar had niets waarmee hij kon pronken.
Hij was helemaal leeg van zichzelf.

Vergeleken met de gloeilamp betekent dit:
zijn glazen ballon was leeg, vacuüm gepompt door zijn nederigheid.

En omdat er geen lucht van hoogmoed en zelfoverschatting
aan het draadje kwam,
bleef het branden,
had een lange levensduur,
en gaf het heel veel licht in de ogen van God.

Laten wij zijn als de tollenaar
die om zijn eigen zwakheid en zondigheid wist
en zijn toevlucht nam tot God:
dan zullen wij als een goede gloeilamp
langdurig licht verspreiden om ons heen.