Donderdag 20 juni viert de Wereldkerk Sacramentsdag. In de Landricuskerk is van 10.00 -18.30 uur eucharistische aanbidding. Feestmis 19.00

20e zo dh jaar A – Een onvriendelijke Jezus 

20e zo dh jaar A – Een onvriendelijke Jezus                 Echt/St.Joost, 20-8-17

Bij het oppervlakkig beluisteren van het evangelie van vandaag
komen gemakkelijk gevoelens van verontwaardiging op:

Hoe kan Jezus die vrouw nou met honden vergelijken?
Waarom is Hij zo onvriendelijk tegenover die buitenlandse?
Het lijkt wel discriminatie!

Bovendien past deze houding helemaal niet bij een Jezus die gezegd heeft:

Ik heb nog andere schapen, die niet uit deze schaapsstal zijn.
Ook die moet ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren
en het zal worden: een kudde, een herder (Joh. 10,16).

Een onvriendelijke, discriminerende Jezus,
die zich bovendien ook nog tegenspreekt?
Is het dat, wat ons vandaag bij moet blijven, wat wij mee nemen
voor de komende week?

Dan had de evangelist Matteüs deze gebeurtenis uit het leven van Jezus
beter niet kunnen opschrijven.

Maar als wij nu eens een andere bril opzetten,
als wij nu eens het hele evangelie zien als een soort model
van ons eigen bidden en smeken tot God,
dan verschijnt het plotseling in een heel ander licht.

Het biedt ons zelfs een sleutel om onze eigen ervaringen met Jezus
beter te begrijpen.

Een vrouw smeekt tot Jezus.
Zij bidt niet eens voor zichzelf, maar voor haar dochter,
en wat ze vraagt is niet iets onbenulligs, maar een ernstige zaak.
Dus daaraan kan het niet liggen dat Jezus niet reageert.
En toch staat er: “Hij gaf haar in het geheel geen antwoord” ( vers 23a).

Hoe vaak maken wij dit mee. Wij bidden om iets belangrijks,
misschien niet eens voor onszelf,
maar de hemel lijkt wel staal of beton waar je niet doorheen dringt.
Geen antwoord, geen reactie.

Vaak bemoeien zich dan ook nog anderen ermee:
“Hou toch op, bidden helpt niet”.
Net zoals de leerlingen in het evangelie, die tot Jezus zeggen:
“Stuur die vrouw toch weg, want ze blijft ons achterna roepen” (vers 23b).

Jezus maakt dan duidelijk dat Hij voor zijn zwijgen een reden heeft.
Hij heeft zijn eigen heilsplan.
Kennen wij zijn heilsplan van nu, zijn heilsplan voor de wereld van nu
en welke plaats wij in dit heilsplan innemen?

De buitenlandse vrouw geeft in elk geval niet op. Zij stopt niet met bidden.
Integendeel, zij intensiveert haar bidden, vernedert zich door neer te knielen
en smeekt indringend tot Jezus: “Heer, help mij!” (vgl. vers 25).

Een belangrijke les ook voor ons: Hoor niet op te bidden. Ga door!

En zoals in het evangelie treedt dan op een gegeven moment
het gebed in een nieuwe fase. 
God richt de blik op onszelf. In het evangelie gebeurt dat met de woorden:
“Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is
aan de honden te geven”(vers 26).

Vertaald naar onze tijd zou dat kunnen zijn:
Wie ben ik, dat ik van God iets durf te vragen?
Hoe vaak heb ik dan vroeger aan Hem gedacht?
Hoeveel heb ik mij in mijn leven wel aangetrokken van zijn geboden? 
Hoe vertrouwd ben ik überhaupt wel met Hem?
Ben ik niet ook een vreemde voor Hem?

Dit proces van kritisch nadenken over jezelf, van vernedering
is cruciaal voor een gebedsverhoring.

Vele heiligen herhalen steeds opnieuw,
dat God aan echte nederigheid geen weerstand kan bieden,
dat nederigheid werkt als een vacuüm
dat Gods barmhartigheid naar zich toetrekt.

Op dat moment waar de buitenlandse als het ware belijdt:
Heer, ik ben inderdaad maar een hond, maar die krijgen toch vaak
de kruimels van de tafel, opdat moment is Jezus om (vgl. vers 27).
Zo’n grote nederigheid kan Hij niet weerstaan.
Een les voor ons, een les voor alle bidders.