Geef je op voor een bijzondere Bijbelavond over het Hooglied, het liefdeslied aller liefdesliederen: di 9-4 om 20.00 uur Trefcentrum Diepstraat 4

19de zondag dh jaar A en Edith Stein herdenking.

19e zo d/h jaar A          Elia en de Godservaring in de stilte /       Echt, 10-8-2014
Edith Stein over het leven in de Karmel

God verscheen aan de profeet Elia.
En wel anders dan wij mensen op het eerste gezicht zouden verwachten:
God verscheen niet met macht en geweld, als het ware verpletterend. Neen.
Hij was noch in de storm aanwezig noch in de aardbeving noch in het vuur,
maar in het suizen van een zachte bries.
God houdt van de stilte en zij die Hem willen ontmoeten eveneens.

Niet alleen voor Elia was de stilte belangrijk,
ook en in bijzondere mate voor Jezus zelf. Wij horen het in het evangelie vandaag:
“Toen Hij het volk had weggezonden, ging Hij de berg op
om in afzondering te bidden. De avond viel en Hij was daar alleen.”(Mt.14, 23).

Ook de orde van de Karmel die zich altijd zeer verbonden voelt met de profeet Elia en met de berg Karmel waar hij destijds verbleef (vandaar de naam),
hecht zeer aan stilte en gebed.
Onze Karmelietessen aan de Bovenste straat leven nog altijd
dit teruggetrokken leven van intens gebed.

Laten wij hun beroemde dochter, de heilige Edith Stein, zelf vertellen
hoe het achter de kloostermuren tot op de dag van vandaag (bijna onveranderd) eraan toegaat. Ik baseer mij daarbij op haar brieven:

Nu wil ik u onze dagorde vertellen. Wij staan om half 6 op.
Van 6 tot 7 meditatie, van 7 tot 8 het getijdengebed, om 8 uur de H.Mis,
van 9 tot 10.53 werktijd, 10.53 gewetensonderzoek, 11 uur middageten, aansluitend recreatie, 14 uur tot 15 uur werk, 15 uur getijdengebed
en geestelijke lezing, 16.00 tot 17.45 uur werk, dan kruisweg of geestelijke lezing,
18 tot 19 uur  meditatie, 19 avondeten, dan recreatie, 20.30 uur getijdengebed,
21 uur tot 22 uur eenzaamheid op de cel, 22 uur getijdengebed, gewetensonderzoek en voorbereiding van de meditatie voor de volgende ochtend.
(Ik heb de zomerdagorde omgerekend naar de dagorde van de winter zoals die door Edith Stein wordt aangeduid ,
omdat deze het meest overeenkomt met de dagorde van de karmelietessen van nu. Ook heb ik het woord “getijdengebed” gebruikt
waar Edith Stein de namen van getijden afzonderlijk noemt. Met betrekking tot het tijdstip van de getijden is er immers
na het Tweede Vaticaans Concilie verandering gekomen.)(Brief aan Petra Brünin vanuit Köln-Lindental, 1.5.1934, ESGW III, brief 321)

In een brief aan Gertrud von le Fort maakt Edith Stein duidelijk
dat dit gebedsleven vooral bedoeld is voor de mensen buiten in de wereld:

“Het vertrouwen, dat iets van onze vrede en onze stilte naar buiten stroomt
in de wereld en degenen helpt, die nog als pelgrims onderweg zijn,
is het enige dat mij gerust kan stellen over het feit,
dat ik tot deze wonderbare geborgenheid geroepen ben
terwijl er zo velen zijn die veel waardiger zijn dan ik.
U kunt zich helemaal niet indenken, hoe diep het mij beschaamt,
wanneer iemand van “offerleven” spreekt.
Een offerleven heb ik geleid, zolang ik nog buiten was.
Nu zijn mij bijna alle lasten afgenomen en heb ik in volheid wat mij anders ontbrak. Natuurlijk zijn er ook zusters bij ons, van wie dagelijks grote offers worden gevraagd. En ook ik verwacht, dat ook ik nog eens meer
van mijn roeping tot het kruis zal merken dan nu,
nu mij de Heer nog een keer als een klein kind behandelt.”
(Köln-Lindental,31.1.35, ESGW III, br. 365)

Als je roeping hebt tot het intense gebedsleven van een karmelietes,
dan ga je de wereld erbuiten niet echt missen. Edith Stein schreef zelfs:

“De meeste zusters zien het als een boete,
wanneer ze naar de spreekkamer worden geroepen.
Het is dan ook altijd een overgang naar een vreemde wereld en je bent gelukkig, wanneer je weer naar de stilte van het koor terug kunt vluchten
en voor de tabernakel kunt verwerken, wat je is toevertrouwd.
Maar ik ervaar deze vrede nog dagelijks als een groot geschenk van genade,
dat je nooit voor je zelf alleen kan zijn gegeven.
Wanneer dus iemand afgepeigerd en in de put naar ons toe komt
en dan een beetje rust en troost meeneemt, dan maakt mij dat zeer gelukkig”.
(Brief aan Adelgundis Jaegerschmid vanuit Köln-Lindental, 11.1.1934 ESGW III, brief 302)

In een andere brief omschrijft Edith Stein haar roeping tot voorspreekster
met een prachtige vergelijking uit de Bijbel:

“Ik (vertrouw) erop, dat de Heer mijn leven voor allen heeft aangenomen.
Ik moet steeds weer aan koningin Esther denken,
die juist daarom uit haar volk werd weggehaald,
om voor haar volk voor de koning te staan.
Ik ben een zeer arme en onmachtige Esther;
maar de koning die mij heeft verkozen, is oneindig groot en barmhartig.
Dat is een zo’n grote troost”              
(Brief aan Petra-Brüning vanuit Köln-Lindental, 31.10.1938, ESGW III, brief 573) 

Hoewel Edith op de eerste plaats aan het Joodse volk denkt,
is de identificatie met koningin Esther in zekere zin
ook van toepassing op elke karmelietes tot vandaag toe.

Zijn wij dankbaar voor de Esthers in ons midden hier in Echt
en laten wij dat ook eens door financiële ondersteuning blijken,
want armoede is de andere pilaar van hún leven voor ons.