Geef je op voor een bijzondere Bijbelavond over het Hooglied, het liefdeslied aller liefdesliederen: di 9-4 om 20.00 uur Trefcentrum Diepstraat 4

18 zo dh jaar B – Jeugdherinnering van mijn moeder

18 zo dh jaar B – Jeugdherinnering van mijn moeder  St. Joost/Echt, 2-8-15

1e lezing Exodus 16,2-4.12-15  Het manna

Zoals sommigen van u weten,
was ik weer een weekje met mijn moeder op vakantie.
Wij hebben veel met elkaar verteld
en zij heeft herinneringen uit haar kindertijd opgehaald
die ik nog niet kende.

Onder andere vertelde ze mij van een buurmeisje,
dat elk jaar met kerstmis zo veel cadeautjes kreeg,
dat de hele zitbank vol lag, terwijl mijn moeder en haar broertje
alleen maar elk één klein bescheiden cadeautje kregen.
Thuis hadden ze het namelijk niet breed.
Het bijzondere was echter, dat de buurvrouw elk jaar
aan mijn moeders moeder, dus mijn oma, vroeg:
Hoe kan dat nou dat jouw kinderen met hun ene cadeautje
veel blijer zijn dan onze dochter die zo veel krijgt?

Aan deze anekdote moest ik denken
toen ik in de eerste lezing las over de Israëlieten en het manna.
Volgens een uitleg van de Katholiek Bijbelstichting
zou het bij het manna om het sap kunnen gaan van de tamariskplant,
die in de Sinai-woestijn groeit.
Deze plant scheidt zijn overtollig sap af in druppeltjes,
die kristalliseren en op de grond vallen.
Gezien die alleen goed blijven in de vroege ochtend
en niet in de felle zon, mochten de Israëlieten geen voorraden ervan aanleggen
en alleen één dagrantsoen van het manna oprapen.

Dit had blijkbaar ook een pedagogisch effect.

Op de eerste plaats moesten de Israëlieten helemaal
op Gods voorzienigheid vertrouwen,
moesten erop bouwen dat ook de volgende dag
weer manna zou neervallen.
Zo werd hun Godsvertrouwen met de dag sterker
en kon God van zijn kant vaststellen
of ze zijn leiding wilden volgen of niet.
Maar op de tweede plaats had de telkens kleine hoeveelheid manna
zeker dezelfde uitwerking als het kleine kerstcadeautje van mijn moeder.
Hoe meer je uitziet naar het ene, hoe waardevoller het voor je wordt.

In het evangelie refereert Jezus aan het manna van toen en zegt dan:
“Wat Mozes u gaf was niet het brood uit de hemel;
het echte brood uit de hemel wordt u door mijn Vader gegeven;
want het brood van God daalt uit de hemel neer
en geeft leven aan de wereld”(Joh. 6, 32-33).

De mensen reageren: “Heer, geef ons altijd dat brood” (vgl. vers 34).

En dat doet Jezus.
Maar Hij doet het precies op dezelfde pedagogische wijze
als zijn hemelse Vader destijds deed met het manna.

Hij zegt ook nu als het ware tot ons:
Ik wil zo graag dat jullie vaak terug komen,
Ik wil zo graag dat jullie verlangen toeneemt,
dat jullie uitzien naar het wekelijks rantsoen,
misschien zelfs naar een dagrantsoen.

Niet alleen maar een groot Communiefeest,
waarbij dit “nieuwe brood uit de hemel” gevaar loopt
in de feestguirlandes te blijven hangen.

Neen, ik wil zo graag dat jullie steeds opnieuw naar Mij uitzien
zoals jullie ook elke dag uitzien naar het dagelijks voedsel.

Pas dan zullen jullie Mij echt weten te waarderen, want
“Ik ben het brood des levens”, zegt de Heer.