Donderdag 20 juni viert de Wereldkerk Sacramentsdag. In de Landricuskerk is van 10.00 -18.30 uur eucharistische aanbidding. Feestmis 19.00

16de zondag dh jaar A – Onkruid tussen de tarwe preek

16e zo d/h jaar A (onkruid tussen de tarwe)    Echt/St.Joost 20-7-2014
Vandaag gebruikt Jezus weer een prachtige gelijkenis,
die tot de mensen van zijn tijd meteen tot de verbeelding sprak.
Het onkruid dat Jezus hier bedoelde, komt namelijk veelvuldig voor
in Israël en Syrië, maar is ook in onze streken niet onbekend.
Bedoeld is de zogenaamde dolik, een plant die voordat ze aren krijgt, nauwelijks van een tarweplantje is te onderscheiden.

Maar terwijl tarwe goed is en de mensen van vele voedingsstoffen voorziet,
is de dolik giftig, roept een gevoel van dronkenschap en misselijkheid op
en kan zelfs dodelijk zijn.
Het was dan ook zowel onder de Romeinse wet als ook nu nog
bv. onder de Belgische wet (artikel 536) bij straffe verboden
dolik of een ander schadelijk kruid op een akker te strooien.

Dit krachtige beeld gebruikt Jezus dus om ons duidelijk te maken,
dat Hij tot aan de oogst, dat is tot aan het einde van de wereld,
goede en kwade mensen naast elkaar laat bestaan.

En wij, wij willen – net als de knechten in de gelijkenis – niets liever dan wieden: in de Kerk, in ons land, in Europa: weg met iedereen
die in onze ogen onkruid is.
Laten wij daarom even stil houden, halen wij ons in een ogenblik van stilte iemand voor ogen die wijzelf nog maar kort geleden weg wilden hebben…

En luisteren wij dan naar Jezus: “Neen, niet doen. Ik ben bang dat ge,
wanneer je het onkruid bijeengaart, de tarwe mee uittrekt”. (vers 29)
Mensen zijn niet zo gemakkelijk in goede en kwade mensen in te delen
als wij denken.
Kijk eens naar een jong tarweplantje en een jonge dolik:
hun wortels zitten vaak verstrengeld in elkaar.
Wie er een wil uitrukken, rukt beiden uit.

Pas bij de oogst komt het oordeel, inderdaad een rechtvaardig oordeel,
een oordeel dat de goeden beloont en de kwaden straft.
Jezus draait er niet omheen. Geen barmhartigheid zonder rechtvaardigheid.

Maar hoe zit dat nu in de tussentijd?
Moeten wij ondertussen dan niets doen, moeten wij passief toekijken
hoe het kwade steeds meer toeneemt?

Neen. Gaan wij nog een keer terug naar de uitgangssituatie van de parabel.
De zaaier heeft perfect gewerkt want Hij is de Mensenzoon zelf.
Ook het zaad was goed en de akker was vruchtbaar. Wat ging er dus mis?

“Terwijl de mensen sliepen” , staat er, “kwam zijn vijand en zaaide onkruid tussen de tarwe” (vers 25).

Wat moeten wij christenen dus doen? Minder slapen!
Wij mogen weliswaar niet de groeiende onkruidplantjes,
spreek de mensen, uittrekken,
maar wij moeten wel de vijand van God zoveel mogelijk hinderen
zijn giftig zaad uit te zaaien.

  • Het giftig zaad van het relativisme bv., dat ons influistert
    dat goed en kwaad relatief zijn en bepaald worden
    door wat de meerderheid vindt.
  • Het giftige zaad van het door elkaar haspelen
    van allerlei godsdiensten : .
    ‘s Ochtends een kaarsje bij Maria
    en ’s avonds relaxen bij een Boeddha-beeldje.
  • Het giftig zaad van het doorgetrokken individualisme,
    dat geen rekening meer wil houden met het feit,
    dat mensen verantwoording hebben voor elkaar.

In dit soort dingen mogen wij niet onverschillig zijn, mogen wij niet slapen.
Want het kwade krijgt alleen daar de overhand waar het goede ruimte ervoor biedt.