Geef je op voor een bijzondere Bijbelavond over het Hooglied, het liefdeslied aller liefdesliederen: di 9-4 om 20.00 uur Trefcentrum Diepstraat 4

15e zo dh jaar B – Het toegetrokken gordijn van de hemel

15e zo dh jaar B – Het toegetrokken gordijn van de hemel   Echt, 12-7-15

Efesiërs 1, 3-14 Voorbestemd zijn kinderen te worden

Bij het klaar leggen van mijn vakantielectuur
kwam ik een boekje tegen van kardinaal Danneels.
Een klein boekje over geluk.
Zoals altijd, wanneer ik wat letters onder mijn neus krijg,
begon ik meteen te lezen en merkte plotseling op,
dat zijn gedachten heel goed pasten
bij de huidige lezing uit de brief aan de Efesiërs.

De kardinaal beschrijft het verleden als volgt.

In vroegere tijden,
toen het christendom elk denken en ieders doen doordrong
– zoals het vocht de natuur -,
was de honger naar het eeuwige geluk
de drijfveer van zowat alle doen en laten.

Ze ging (soms) gepaard met die vaak angstige vraag:
“Kom ik in de hemel?”
Maar, het vooruitzicht op de hemel heeft ook vele mensen blij gemaakt
en duchtig aan het werk gezet op deze aarde.
(Een woord bij Pasen 2002, 3)

En dan kwam de moderne tijd, die de kardinaal als volgt karakteriseert:

Toen werd het gordijn van de hemel toegetrokken. Het visioen was weg.
God deed het niet meer, we zouden het voortaan zelf doen.
Alles lag in onze handen.
We hadden niets meer te verwachten of te verhopen.
Neen, alles zelf doen en op eigen krachten.
Gedaan met dromen.
“Het geluk?
Dat moet je maken, heel alleen, hier, nu en liefst meteen”.
(Pasen 2002, 5))

Maar, geluk ligt niet in het bezit van dingen.
Dat wordt met de dag duidelijker, vooral voor ons die zoveel ‘dingen’ hebben. 

Alleen bemind te worden en te kunnen beminnen maakt ons gelukkig.
Maar welke mens kan zoiets aan:
wie is bekwaam de liefdeshonger van een ander geheel te stillen?
Ook dat wordt met de dag dieper aangevoeld.

Is de honger van een mens niet al te groot,
dat hij door een andere mens zou kunnen worden gestild?,
vraagt zich de kardinaal af en vervolgt:

Wij christenen, geloven dat alleen Gods oceaan groot genoeg is
om onze dorst naar liefde te lessen.

God biedt ons het geluk in de relatie met Hem.
Maar die is anders en meer, dan de relatie met een geliefde medemens.
Vooreerst is ze gratuit.
God heeft ons niet lief omdat we goed, deugdzaam of heilig zijn.
Zelfs niet omdat we Hem terug beminnen. (…)
God is ons in alles voor. En dat maakt precies gelukkig.
Hij is er al om ons lief te hebben nog voor we de ogen hadden geopend
en Hij is er nog als we voor Hem onze ogen hebben gesloten.
Hij is in alles het eerst: Hij wacht niet tot we mee zijn of op temperatuur.
En Hij is in alles het laatst: Hij is er nog als wij Hem al vergeten zijn.
(Pasen 2002, 37-38)

Laten wij, bemoedigd door deze prachtige woorden van de kardinaal,
het gordijn van de hemel voor ons geestelijk oog weer opentrekken.
En laten wij nog eens luisteren
naar wat ons vandaag de eerste lezing (Efesiërs 1,3-6a) verteld
over onze uitverkiezing en ons eeuwig geluk:

Gezegend is God,
de Vader van onze Heer Jezus Christus,
die ons in de hemelen in Christus heeft gezegend
met elke geeste­lijke zegen.

In Hem heeft Hij ons uitverkoren
voor de grondlegging der wereld,
om heilig en vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht.

In liefde heeft Hij ons voorbestemd
zijn kinderen te worden door Jezus Christus,
naar het welbehagen van zijn wil,
tot lof van de heerlijkheid van zijn genade.