Geef je op voor een bijzondere Bijbelavond over het Hooglied, het liefdeslied aller liefdesliederen: di 9-4 om 20.00 uur Trefcentrum Diepstraat 4

12e zo dh jaar C – Twee vormen van kennis

12e zo dh jaar C – Twee vormen van kennis        Echt/St.Joost, 19-6-16

“Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” (Lc.9, 18).
“Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?” (Lc.9,20).

Toen ik het huidige evangelie bestudeerde,
vond ik in het Jezus-boek van Paus Benedictus zo’n treffend antwoord,
dat ik nu uit zijn boek ga citeren. (Jezus van Nazareth, deel 1, Lannoo)

Paus Benedictus schrijft:

“De vraag naar wat de mensen van Hem vinden
en wie de leerlingen denken dat Hij is,
veronderstelt dat er twee vormen van kennis van Jezus zijn.

Enerzijds is er een oppervlakkige kennis van Jezus,
die er niet noodzakelijkerwijs naast zit maar die wel ontoereikend is.

Anderzijds is er een diepere kennis, die veronderstelt
dat men bij de gemeenschap van de leerlingen,
bij de ‘mensen van de weg’ hoort,
een kennis die zich alleen binnen de gemeenschap kan ontwikkelen”
(blz. 271).  
(…)

De eerstgenoemde meningen over Jezus (dat hij Johannes de Doper
of  Elia is of dat een van de oude profeten is opgestaan)

“zijn niet verkeerd; ze komen dicht of minder dicht
bij het geheim van Jezus en ze zouden kunnen doordringen tot de kern.
Maar ze raken niet aan de kern van Jezus,
aan het nieuwe dat Hij vertegenwoordigt.
Ze interpreteren Hem vanuit een figuur uit het verleden,
of uit wat zoal mogelijk of denkbaar is,
niet uit wie Hij zelf is, niet in zijn onherleidbare uniciteit.

In deze zin zijn er ook in onze tijd gangbare meningen van “mensen”
die iets over Christus gehoord hebben,
Hem misschien zelfs wetenschappelijk bestudeerd hebben,
maar Hem niet ontmoet hebben in zijn heel unieke
en totaal andere eigenheid.  (…)

Het is algemeen gangbaar tegenwoordig, om Jezus te zien
als een van de grote godsdienststichters in de wereld.
Hun is een diepe Godservaring ten deel gevallen.
Daardoor kunnen ze andere mensen,
die die ‘religieuze begaafdheid’ missen, vertellen over God
en hen als het ware meenemen
in wat zij in hun Godservaring beleefd hebben.

Toch blijft dat altijd een menselijke Godservaring,
die Gods oneindige werkelijkheid weerspiegelt
in een eindige en beperkte menselijke geest.   (…)

In deze visie blijft uiteindelijk de mens (…) de maat van alle dingen.
De individuele mens bepaalt
wat hij uit de verschillende Godservaringen overneemt,
wat hem helpt of wat hem vreemd is.
Er is geen echte betrokkenheid (blz. 271-273).

Tegenover de mening van de mensen staat de kennis,
de belijdenis van de leerlingen (…) (blz.273).

De leerlingen hebben erkend
dat Jezus in geen van de voorgegeven categorieën paste.
Dat Hij meer was dan ‘een van de profeten’.

Dat zagen ze aan de Bergrede, aan de wondertekenen
en aan zijn volmacht zonden te vergeven,
aan zijn soevereine wijze van verkondigen
en aan de manier waarop Hij omging met de wettradities.
Jezus was meer dan een van de profeten.  (…)

Op belangrijke momenten beseften de leerlingen met een schok:
dat is God zelf.
Ze konden dat allemaal niet direct onder woorden brengen.
Ze hadden daar, met recht, de beloftevolle woorden
van het Oude Verbond voor nodig:
Christus – de Gezalfde, Zoon van God, Heer.

In die kernwoorden is hun belijdenis geconcentreerd,
maar die belijdenis was nog tastend op zoek.
Pas in volle omvang is die belijdenis er
als Thomas na de verrijzenis de wonden in Jezus’ zijde aanraakt
en diep ontroerd uitroept: “Mijn Heer! Mijn God”(Joh.20,18).

Maar uiteindelijk blijven wij altijd onderweg met dit woord.
Het is zo groot dat we het nooit volledig doorgronden,
het trekt voor ons uit.

Heel haar pelgrimsgeschiedenis door probeert de Kerk, steeds opnieuw,
zich dit woord eigen te maken (blz. 281).